Rianne Lachmeijer 23 december 2018, 18:30

Ed Nijpels: Einde oefening voor niet-duurzame bedrijven

De klimaattransitie dient zich aan. Hoe deze precies vorm krijgt is nog onbeslist, maar dat het bedrijfsleven aan de bak moet is overduidelijk. “Er is uiteindelijk geen plaats meer voor bedrijven die niet serieus aan de slag gaan met duurzaamheid. Daarvoor geldt: einde oefening.”

Ed nijpels 1

In zijn rol als oud-milieuminister, voorzitter van de borgingscommissie van het energieakkoord en nu als voorzitter van het Klimaatberaad, houdt VVD-er Ed Nijpels al jarenlang de duurzame ontwikkelingen in de gaten. “De vraag is niet of de klimaattransitie gaat plaatsvinden, maar hoe snel men gaat”, aldus Nijpels. Als voorzitter van het klimaatberaad ziet hij toe op de voortgang die aan vijf verschillende ‘sectortafels’ wordt geboekt bij de concrete invulling van het Klimaatakkoord.

 Als Nijpels het over de klimaattransitie heeft dan doelt hij op het uitvoeren van het Klimaatakkoord van Parijs: een broeikasgasreductie van 95 procent in 2050 ten opzichte van 1990. Om daaraan te voldoen stelt Nederland in het Klimaatakkoord een tussendoelstelling: een CO2-reductie van ten minste 49 procent in 2030. Die tussendoelstelling vergt een flinke verandering. “Dat betekent een complete verbouwing van Nederland”, stelt Nijpels.

De voorzitter van het Klimaatberaad vervolgt: “Eigenlijk is het de meest ingrijpende verandering van na de Tweede Wereldoorlog. Veel groter dan dat we Nederland destijds moesten klaarmaken voor het aardgas. Dit is een transitie die op ieder maatschappelijk terrein ingrijpt.”

Stel, eind dit jaar is het Klimaatakkoord rond. Wat betekent dat dan concreet voor het bedrijfsleven?

“Dat betekent dat het bedrijfsleven als de wiedeweerga aan de slag moet. En voor een bedrijf waar de investeringsbeslissingen worden genomen in een hoofdkantoor in Houston is dat ingewikkelder dan voor een bedrijf waar 50 mensen werken en dat alleen maar vestigingen heeft in Nederland, maar allebei moeten ze het doen.”

Is de klimaattransitie vooral een kans of uitdaging voor het bedrijfsleven?

“Allebei. Het is een kans omdat we als Nederland in feite een voorsprong nemen op andere landen. Het is niet zo dat we in Nederland meer gaan doen, maar we doen het eerder. Dat betekent dat we een concurrentievoordeel kunnen krijgen, want andere landen moeten ook maatregelen gaan nemen. Daarmee is het een geweldige economische kans voor het bedrijfsleven.

'Als Nederland nemen we in feite een voorsprong op andere landen'

Als Nederlandse bedrijven technologie uitvinden die je ook in andere landen kunt gebruiken dan kan dat een bijdrage leveren aan de economische groei van Nederland. Tegelijkertijd is het een uitdaging, omdat het wel ingewikkeld is: je moet technologie bedenken en durven investeren. Het is niet zo dat een bedrijf op een knop kan drukken en het dan klaar is.”

In hoeverre is er sprake van een strijd tussen verduurzaming en winst maken?

“Domme mensen in het bedrijfsleven zeggen dat er een strijd bestaat en de verstandige mensen zeggen dat de weg naar duurzaamheid onontkoombaar en maatschappelijk noodzakelijk is. Je hebt als bedrijf geen bestaansrecht meer als je de bedrijfsvoering niet binnen een aantal jaren weet  te verduurzamen. Bedrijven die dat niet lukt, gaan stuk voor stuk verdwijnen. Dat kun je zien als een waarschuwing voor het bedrijfsleven. Er is uiteindelijk geen plaats meer voor bedrijven die niet serieus aan de slag gaan met en duurzaamheid. Daarvoor geldt: einde oefening.”

Welke handvatten vindt u dat de overheid aan het bedrijfsleven moet bieden?

“Er zijn drie dingen die de overheid moet doen. Eén, de overheid moet helderheid scheppen over het doel. In het regeerakkoord staat 49 procent CO2-reductie, in de Klimaatwet komt 49 procent te staan en in de opdracht aan de klimaattafels staat ook 49 procent; dus dat doel is helder. Daar kan geen discussie meer over bestaan; geen gemier, die 49 procent staat als een paal boven water.

Twee is het hele complex van wet- en regelgeving, zowel in de dwingende als in de faciliterende zin. Soms moet de overheid helpen door regelgeving in te voeren en soms is het zo dat regelgeving eigenlijk niet meer past bij de klimaattransitie; dan moet je de regels aanpassen.

En het derde is subsidie. Soms moet het bedrijfsleven worden geholpen met subsidie om ze over een drempel heen te helpen. Maar per definitie is subsidie altijd een tijdelijke zaak als het nou geldt voor de energietransitie, de klimaattransitie of voor iets anders.”

Aan de energietafel ligt een voorstel voor CO2-beprijzing. Bij de industrietafel tot nog toe niet, omdat dit de concurrentiepositie zou aantasten. Wat vindt u daarvan?

“Ik vind dat het bedrijfsleven soms weleens te gemakkelijk dat concurrentie element naar boven haalt. Ik begrijp vanuit tactisch opzicht dat ze dat doen maar uit internationaal onderzoek blijkt dat als je milieumaatregelen treft dat maar zelden leidt tot verplaatsing. Het gebeurt wel, maar dat is zelden. En dat is ook logisch, want een bedrijf die miljarden heeft geïnvesteerd in een plant in Rotterdam gaat niet zomaar vertrekken. 

'Je kunt het bezwaar tegen een CO2-heffing eenvoudig neutraliseren'

Ik ben niet blind voor het argument van level playing field, maar ik vind dat het nog weleens te makkelijk uit de kast wordt getrokken om maatregelen af te houden. Overigens kun je het bezwaar van het bedrijfsleven tegen een CO2-heffing eenvoudigweg neutraliseren door het geld  weer terug te geven aan het bedrijfsleven voor investeringen. Daarmee help je de voorlopers en daarmee kun je het in ieder geval op macroniveau neutraal maken.”

Het bedrijfsleven moet in de volle breedte aan de slag met de klimaattransitie, merkt u dat de houding ten opzichte van verduurzaming verschilt per segment?

“Dat verschilt heel sterk, neem een bedrijf als DSM. DSM is een van de bedrijven die internationaal vooroploopt als het gaat om de duurzaamheid, niet op de laatste plaats omdat ze een CEO hebben die op dat punt naam en faam heeft. Je hebt ook de Dutch Sustainable Growth Coalition, een coalitie van acht bedrijven waaronder Philips die in het kader van de klimaatdiscussie ook pleiten voor een reële CO2-prijs. En je hebt natuurlijk bedrijven waar het verdienmodel juist de klimaattransitie is. Dus je hebt ze in alle soorten, maten en gradaties.

 Het moeilijkste is dikwijls de energiebesparing voor de wat kleinere bedrijven die vallen onder de wet milieubeheer en maatregelen moeten treffen. Die bedrijven hebben 1,5 man en een paardenkop werken, dus die hebben wel wat anders aan hun hoofd dan energie besparen.”

Hoe kan de overheid deze kleine bedrijven helpen?

“De overheid helpt die kleine bedrijven bijvoorbeeld door voor sectoren lijsten te maken met voorbeelden van maatregelen die bedrijven moeten treffen. Als ze die invullen op de website voldoen ze automatisch aan de wettelijke verplichting en dan krijgen ze ook niemand op bezoek.

Overigens geldt dat de twaalf grootste bedrijven in ons land bij elkaar ongeveer 75 procent van de industriële CO2-emissies veroorzaken. Als je die twaalf bedrijven aan tafel hebt en afspraken kunt maken, dan maak je meters.”

Tegelijkertijd kun je stellen dat deze bedrijven vervuilen om aan de behoefte van de maatschappij te voldoen. In hoeverre is het rechtvaardig de taak bij hen neer te leggen?

“Het verhaal is onthutsend eenvoudig eigenlijk: Aan het eind van het avontuur betalen wij het altijd als burgers, want alles zit verdisconteerd in de prijzen. Als het nou gaat om de auto, om deze beker of om deze zoetjes. In de eindprijs zitten allerlei verschillende elementen: daar zit de winst in, daar zitten de investeringen in en daar zitten ook de maatregelen in die het bedrijf moeten nemen voor het milieu. Dus daarom is het een diffuse discussie of het bedrijfsleven of de burger betaalt. Uiteindelijk betaalt de burger tenzij het bedrijfsleven de winst vermindert.”

In hoeverre moet de arbeidsmarkt een transitie doormaken?

“Dat is een groot knelpunt. Er zijn op dit moment 250.000 slecht vervulbare vacatures. Dat betekent dat die arbeidsmarkt een belemmering dreigt te worden voor die energietransitie. We hebben zowel denkwerk als handjes nodig om het werk te kunnen doen. Dat geldt overigens niet alleen voor de energiesector, maar alle sectoren. De SER is al door het vorige kabinet gevraagd om een advies uit te brengen over werkgelegenheid en energiebeleid.”

Wat staat er in dat advies?

“Dat er zal moeten worden geïnvesteerd in her- om- en bijscholing. En in het kader van het klimaatakkoord is er ook een taakgroep ingesteld onder leiding van de voorzitter van de SER waarin samen met de vakbeweging, de werkgevers en de departementen plannen worden uitgewerkt. Dus daar wordt aan gewerkt, maar het is voor mij wel een van de grootste zorgen bij de uitvoering van een klimaatakkoord.”

Welke sectoren maken op dat vlak al stappen?

“De industrie is al dikwijls zelf bezig met het organiseren; die zijn in overleg over bepaalde mbo- en hbo-opleidingen. De installatiewereld moet er ook voor zorgen dat mensen worden opgeleid. Zij waren ook betrokken bij het energieakkoord. In het begin presteerden ze goed, daarna zwakte het af, maar ze pakken het nu goed op. De installatiewereld is een heel goed voorbeeld van een branche die de problemen nu zelf aanpakt.

De bouw zou een voorbeeld kunnen nemen aan wat de installatiesector doet. De bouw is altijd geneigd om bij ieder probleem te kijken naar de overheid als een grote oplosser, maar de bouw moet ook zelf aan de slag.”

Van 1986 tot 1989 was u minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieu. In hoeverre heeft duurzaamheid sinds die tijd een verandering doorgemaakt?

“In mijn ogen, vanuit mijn oude verantwoordelijkheid als milieuminister, is het allemaal veel te langzaam gegaan. In 1989 was ik als minister verantwoordelijk voor de eerste wereldwijde Klimaatconferentie op ministersniveau. We zijn nu twintig jaar verder. Ik vind dat het wel heel erg langzaam is gegaan na die tijd, want de problemen waren in 1989 ongeveer wel bekend.

Tegelijkertijd weet ik ook dat een psychologische verandering in het hoofd van de mensen heel ingewikkeld is. Mensen laten beseffen hoe ernstig de veranderingen van het klimaat zijn, dat kost tijd.”

In het Klimaatakkoord op hoofdlijnen wordt benadrukt dat de bereidwilligheid van de burger cruciaal is, maar is het niet eens tijd dat de politiek zegt: Klimaatverandering is een groot maatschappelijk probleem dat we gewoon gaan aanpakken?

“Daar ben ik het helemaal mee eens. Vandaar ook dat dit kabinet heeft gezegd dat ze 49 procent CO2 gaan reduceren en wij vanuit het klimaatakkoord voorstellen zullen aandragen die moeten optellen tot die 49 procent. Het kabinet zou een slechte beurt maken als het opeens zou afwijken van die 49 procent, want dat hebben ze al een aantal keren in verschillende stukken vastgelegd. Daar nu op terugkomen maakt het kabinet politiek ongeloofwaardig.

'Draagvlak is dikwijls een vluchtheuvel voor bange politici' 

Ik vind dat er draagvlak moet zijn bij de mensen, maar ik vind dat draagvlak dikwijls een vluchtheuvel is voor bange politici. Politici roepen heel snel draagvlak, terwijl ze eigenlijk bedoelen dat ze tegen de maatregel zijn. Je kunt maatregelen niet door de strot van mensen duwen, maar soms moet de overheid ook paal en perk stellen.

Wij vinden het bijvoorbeeld heel normaal dat we in het verkeer allemaal beperkingen hebben. En als je dat vergelijkt met de gevolgen van de klimaatproblematiek dan kan het niet zo zijn dat we ieder jaar een miljard steken in het verhogen van de dijken om ons te beschermen tegen de verandering van het klimaat en vervolgens niks doen aan de oorzaak. We zijn de vrijblijvendheid voorbij.”

Aan vijf sectortafels spraken het bedrijfsleven, de overheid en maatschappelijke organisaties over de invulling van het Klimaatakkoord. DuurzaamBedrijfsleven sprak met de voorzitters van alle vijf de tafels:

Afbeelding: Adobe Stock | Portretfoto's: SER door Christiaan Krouwels

2 kilo aardappels in 1 kilo frites: waar blijft de rest?

Wereldwijd wordt ruim 30 procent van het geproduceerde voedsel verspild. “Eén op elke drie geproduceerde calorieën belandt dus niet in de mond van consumenten”, bevestigt Jolanda Soons, duurzaamheidsmanager bij Lamb Weston / Meijer. In de aardappelketen vindt de meeste voedselverspilling plaats aan het begin, tijdens teelt en opslag, en aan het einde, bij de consument. Dat is niet alleen verspilling van kostbaar voedsel, maar ook van energie, land en water dat voor voedselproductie is ingezet. “Een kwart van alle CO2-emissies wereldwijd wordt direct veroorzaakt door de teelt van landbouwgewassen voor productie van voedsel en veevoer”, weet Soons.Voedselketens sluiten volgens circulair modelVoordat de begrippen ‘duurzaamheid’ en ‘circulaire economie’ gemeengoed waren omarmde Lamb Weston / Meijer al een integrale duurzaamheidsstrategie. Eén van de pijlers in deze strategie is het thema ‘Aardappel & Afval’. Hierbij draait het niet alleen om het tegengaan van verlies en verspilling van voedsel. Het uiteindelijke doel is om volgens een circulair model voedselketens te sluiten. Dat betekent dat er geen afval ontstaat, je verliezen en verspilling tijdens productie zoveel mogelijk vermindert en niet vermijdbare reststromen zo hoog mogelijk worden verwaard."Eén op elke drie geproduceerde calorieën belandt niet in de mond van consumenten"Wat de aardappelverwerker betreft is een duurzame ambitie niet alleen noodzaak maar ook business. “Wereldwijd had geen van onze concurrenten duurzaamheid opgepakt in 2011. Wij zagen kansen om ons op dit thema strategisch te onderscheiden”, blikt Soons terug. “Een typisch voorbeeld van Nederlands ondernemerschap en een cultuur om uitdagingen om te zetten in kansen”.Soons benadrukt bovendien dat ze niet aan ‘aaibare duurzaamheid’ doen. “Wij hebben ingezet op het maken van impact. Dat is nu een hip woord maar wij hebben daar zeven jaar geleden bewust voor gekozen.” Soons vervolgt: "om impact te realiseren moet je eerst weten wat de belangrijkste issues zijn voor jouw product en waar voor jouw bedrijf dus de belangrijkste uitdagingen liggen. Deze bepalen de materiële thema’s om impact te maken, waarna er concrete en meetbare doelstellingen aan verbonden kunnen worden."Lees ook:Restwarmteproject levert energiebesparing op in ZeelandHoeveel voedsel gaat verloren en wordt verspild?Een uitgebreide studie in 2013 was daarom cruciaal voor Lamb Weston / Meijer om het verlies en de verspilling in de fritesketen van ‘veld tot vork’ in kaart te brengen. Het onderscheid tussen verlies en verspilling is belangrijk. Verlies gaat over wat niet langer als voedsel kan worden ingezet, maar wel op een andere nuttige manier wordt gebruikt, zoals voor veevoer of biobased producten.Dit is het geval bij aardappelstoomschillen, die als lokaal veevoer dienen en vooral door varkens worden opgegeten. Organische reststromen uit de levensmiddelenindustrie die in een biovergister belanden, voor opwekking van biogas, worden technisch wel meegerekend als voedselverspilling. Aardappelen die op het land achterblijven na de oogst, of wegrotten tijdens bewaring horen ook tot verspilling. En aardappelen die consumenten thuis in de kliko gooien, gelden uiteraard ook als voedselverspilling."Impact is een hip woord maar wij hebben daar zeven jaar geleden bewust voor gekozen"Voor het produceren van 1 kilo frites is ongeveer 2 kilo aardappelen nodig. Wat gebeurt er met die andere kilo? Lamb Weston / Meijer heeft dit inzichtelijk gemaakt via een massabalans, opgesteld in 2013, waarin per processtap is becijferd hoe groot het verlies is. Daarnaast hebben zij de bestemming van de reststroom weergegeven. Daaruit blijkt dat een aanzienlijk deel van de massa die verloren gaat bestaat uit water, dat verdampt tijdens vooral het voorbakken van de frites, dit varieert van 12 tot wel 20 procent.Aardappelen komen de fabriek binnen met aanhangende aarde en stenen, ofwel ‘tarragrond’. Dit is 4 procent van het totaalgewicht en gerelateerd aan de oogstomstandigheden per jaar. Deze ‘schone grond’ wordt ingezet om land op te hogen in daarvoor aangewezen lagergelegen gebieden. Derde grote verliespost is het schillen van de aardappelen, omdat wereldwijd de meeste consumenten hun frites het liefst zonder schil eten. Stoomschillen zorgt voor 7 procent schilverlies. Dat is relatief weinig, met handmatig  schillen, zelfs met een dunschiller, verlies je ongeveer 20 procent aan schil.In totaal ontstaan bij Lamb Weston / Meijer jaarlijks zo’n 350 miljoen kilo aan reststromen. Hiervan krijgt 99,7 procent nu al een nuttige herbestemming. Streven naar 100 procent hergebruik is voor het bedrijf niet ambitieus genoeg. De focus ligt allereerst op het verder voorkomen en verminderen van interne verliezen. Daarna komt het zo hoog mogelijk verwaarden van niet vermijdbare reststromen. Dat vraagt om visie, innovatie, samenwerking en investeringen.Vermarkten van reststromenBinnen het bedrijf bestonden al veel goede ideeën voor betere verwaarding van de reststromen. Sinds drie jaar is er in het new business development team iemand aangesteld die zich bezighoudt met het ontwikkelen van nieuwe producten en afzetmarkten op dit gebied. De vele goede ideeën zijn teruggebracht tot een shortlist met de beste kansen, die in samenwerking met andere partijen zoals Wageningen Food & Biobased Research worden onderzocht."Voor het produceren van één kilo friet is twee kilo aardappels nodig. Waar blijft de rest?" “We moeten namelijk eerst onderzoeken of een idee ook op lab-schaal werkt. En daarna is de vraag of het ook economisch rendabel is”, legt Soons uit. "Een voorbeeld zijn onze aardappelstoomschillen. Die worden nu rechtstreeks als veevoer ingezet. Dat is nuttig en geen voedselverspilling. Maar hierin zitten ook waardevolle nutriënten die direct als voedselingrediënt gebruikt kunnen worden. Wellicht kunnen we hier meer uithalen."Daarom heeft Lamb Weston / Meijer binnen het CARVE-onderzoeksprogramma met Wageningen Food & Biobased Research onderzocht hoe suikers uit aardappelstoomschillen gehaald kan worden. Dat project is inmiddels afgerond. "Volgende stap is om te kijken we of we ook aardappeleiwit op een economisch rendabele manier uit de schillen kunnen halen. Daarin zit een nog hogere voedings- en economische waarde. Plantaardige eiwitten zijn de toekomst en aardappeleiwit is allergeenvrij”, legt Soons uit. Een ander innovatief project waar Soons enthousiast over is, richt zich op het hoogwaardig inzetten van wit (natief) aardappelzetmeel. Dit zetmeel komt vrij bij het snijden van aardappelen tot frites. “Door de goede plak- en bindingseigenschappen wordt het nu gebruikt voor bioplastics, behanglijm en boorspoeling”, vertelt Soons. Ook deze toepassingen vallen niet onder voedselverspilling en economisch gezien levert dat aardig wat op, maar er gaan wederom voedingsnutriënten verloren. Het is daarom volgens Soons nóg beter zijn als dit witte aardappelzetmeel zijn ‘food grade’ status behoudt. Nu gaat deze verloren tijdens opslag en transport, omdat dit rauwe aardappelzetmeel snel fermenteert en verzuurt. Dit kan worden voorkomen door het zetmeel op locatie te wassen en te drogen, waarna het als ingrediënt voor eigen producten kan worden gebruikt. “Dit is technologisch mogelijk maar vergt wel een grote investering”, stelt Soons. "Als het aan mij ligt gaat het in de nabije toekomst direct terug de voedselketen in."Meer halen uit grondstoffenNog niet alle bedrijven zijn zo voortvarend bezig met hun reststromen en het ontbreekt vaak aan transparantie. Dat komt doordat reststromen een gevoelig onderwerp zijn voor producenten. Bedrijven willen concurrenten geen inzicht geven in hun reststromen. Daarnaast heeft voedselverspilling een negatieve bijklank. "Men schaamt zich over het feit dat goede voedingsmiddelen worden weggegooid", denkt Soons. Dat kan echter anders aangepakt worden."Wat je niet verspild hoef je ook niet in te kopen. Dat heeft een positief effect op de kostprijs"“Je kan het bijvoorbeeld van de andere kant benaderen en je juist richten op het optimale uit je grondstoffen halen”, schetst Soons. Lamb Weston / Meijer werkt aan het verbeteren van de ‘aardappelbenutting’. “Het is ons doel om deze in 2020 per ton geconsumeerd eindproduct met 10 procent te verhogen ten opzichte van 2008. Door het optimaliseren van grondstofgebruik in de producten, waarvoor de grondstof is geteeld, wordt de milieuvoetafdruk van je product ook lager. Er is immers minder land, energie en water nodig om dezelfde hoeveelheid eindproduct te produceren. Dit verlaagt ook je CO2-uitstoot."Het helpt ook om vanuit een business-perspectief te communiceren. “Het gaat immers om je eigen grondstofefficiëntie. Wat je niet verspilt hoef je ook niet in te kopen. Dat heeft een positief effect op de kostprijs”, beargumenteert Soons. Lamb Weston / Meijer heeft daarop al mooie resultaten geboekt en haar relatieve aardappelgebruik in 2017 met 7 procent teruggebracht ten opzichte van 2008. De impact daarvan is enorm gezien de 1,5 miljoen ton aardappelen die jaarlijks worden verwerkt in zes fabrieken.Voedselverspilling tegengaan met ketenpartnersOm voedselverspilling tegen te gaan is echter iedereen in de keten nodig. Lamb Weston / Meijer vindt het daarom belangrijk om ketenpartners mee te krijgen in een circulaire benadering van de reststromen. Het bedrijf is mede om die reden transparant over haar duurzaamheidsdoelstellingen en prestaties: “Wij delen onze cijfers en best practices sinds 2012.”Soons is tevens voorzitter van de duurzaamheidscommissie van de Europese branchevereniging voor aardappelverwerkers (EUPPA). Ook daar is voedselverspilling vijf jaar geleden bovenaan de agenda gezet. Toch zijn sommige bedrijven in de sector ook nog terughoudend in het delen van gegevens over reststromen, zelfs al gaat het alleen om volumes en bestemming."Sommige bedrijven zijn nog terughoudend in het delen van gegevens over reststromen"Tenslotte is Lamb Weston / Meijer één van de 25 partners van de Taskforce Circular Economy in Food (TCEiF). De Taskforce is een samenwerkingsverband van Wageningen University & Research, het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen EZ) en de Alliantie Verduurzaming Voedsel. Het doel is om voedselverspilling zoveel mogelijk te voorkomen en te verminderen, met focus op het beter verwaarden van reststromen uit de voedingsindustrie. De samenwerking met de overheid is belangrijk om bedrijven te helpen die wel circulair willen opereren, maar die door wet- en regelgeving worden beperkt. Aanpassen van spelregels is daarom een thema binnen de Taskforce.Obstakels richting een circulaire economieEen voorbeeld daarvan is het aerobe zuiveringsslib uit de eigen waterzuiveringsinstallaties van Lamb Weston / Meijer. “Dat is een natuurlijke meststof, die stikstof, fosfaat en kalium bevat, een hoog organisch stofgehalte, maar ook zink, magnesium en calcium afkomstig uit onze aardappelen. Dit mag in Nederland en België echter niet in de landbouw worden gebruikt, maar wel in EU-landen zoals Duitsland en Frankrijk. In plaats daarvan moeten wij het voor veel geld in Moerdijk laten verbranden”, vertelt Soons. "Dit is ons een doorn in het oog en kost ons jaarlijks een kwart miljoen euro. En dat terwijl het een nuttige rol kan vervullen in de akkerbouw, waar oude kleigronden een tekort hebben aan micronutriënten zoals zink en borium. We hoeven geen geld toe voor dit zuiveringsslib, maar wensen dat het nuttig wordt aangewend in de circulaire economiegedachte.”Ook is het soms moeilijk om afzetmarkten te vinden voor circulaire producten. Soons noemt struviet (Ammonium Magnesium Fosfaat) als voorbeeld. Het bedrijf heeft enorme investeringen gedaan om met hun eigen waterzuiveringsinstallatie fosfaten terug te winnen uit het proceswater. “Dat doen we sinds 2008 maar in Nederland is geen afzetmarkt voor struviet omdat we een mestoverschot hebben. Aan deze investering verdienen we dus niets”, onthult Soons.“De fosfaatvoorraad is wereldwijd echter eindig. De voorspelling is dat er nog tot het einde van deze eeuw een makkelijk winbare voorraad is. Zonder fosfaten kunnen planten niet groeien en is er uiteindelijk geen leven meer mogelijk op aarde. Het is dus belangrijk om nu te investeren om deze stoffen terug te winnen.”Er is nog veel werk aan de winkel in de overgang naar een circulaire economie. Soons wil er daarom voor zorgen dat meer bedrijven uit de sector aanhaken bij de Taskforce (TCEiF). “Samen kunnen we van elkaar leren en een grote slag maken.”Foto: Adobe Stock