Teun Schröder
26 februari 2024, 12:48

Opwek aardwarmte stagneert in 2023, maar potentie blijft groot

In 2023 werd in Nederland 6,8 petajoule aan aardwarmte opgewekt. Dat is net zoveel aardwarmte als het jaar ervoor. Volgens brancheorganisatie Geothermie is er veel meer aardwarmte nodig om de klimaatdoelstellingen te halen.

Getty Images 877959072 Met name de glastuinbouw kan profiteren van geothermie als duurzame warmtebron. | Credits: Getty Images

Diep in de Nederlandse bodem ligt warm water. Via pijpleidingen kan deze CO2-vrije warmte gewonnen worden. Nederland telde in 2023 27 aardwarmtelocaties met in totaal 39 doubletten (aardwarmteputten). Deze putten leveren warmte aan bijvoorbeeld de industrie of de gebouwde omgeving. Dankzij aardwarmte werd in 2023 meer dan 193 miljoen kuub aardgas bespaard. Dit staat gelijk aan het aardgasverbruik van een stad zo groot als Utrecht.

Minder afhankelijk van buitenlands gas

De cijfers werden gepubliceerd door Geothermie Nederland, de brancheorganisatie voor de geothermiesector. De organisatie geeft aan dat er meer putten geplaatst moeten worden om de ambities uit het Klimaatakkoord te realiseren. Mede door het sluiten van de gasvelden in Groningen is Nederland afhankelijker geworden van import. Door meer te investeren in aardwarmte kan Nederland zijn afhankelijkheid van landen waar we niet aan gebonden willen zijn beperken en zijn we minder overgeleverd aan grillige prijsschommelingen, aldus Geothermie Nederland.

Op dit moment zitten er honderd nieuwe aardwarmteprojecten in de pijplijn. Maar omdat er nog veel onzekerheden zitten in de wet- en regelgeving zijn snel nieuwe overheidsmaatregelen nodig om aankomende projecten succesvol te maken.

Rol overheid

“Het is fijn dat politici, de staatssecretaris en minister oproepen om geothermie op verschillende manieren te steunen”, zegt Hans Bolscher, bestuursvoorzitter Geothermie Nederland, in een persbericht. “Maar de overheid moet echt een aantal knelpunten wegnemen om aardwarmte optimaal te laten meedoen in het Nederlandse energiesysteem.” Zo pleit de organisatie voor een snellere vergunningsprocedure, een beter aansluiting op subsidieregelingen voor duurzame energie en een herziening van de Mijnbouwwet.

Wat is aardwarmte?

Aardwarmte, of geothermie, is warmte gewonnen uit warm water dat diep in de bodem ligt tussen zand- en andere gesteentelagen. Op zo’n drie kilometer diepte is dit water 90 tot 100 graden Celsius. Deze warmte kan naar boven gehaald worden om huizen en fabrieken te verwarmen. Geothermie is een stabiele energiebron, onafhankelijk van de seizoenen. Aardwarmteputten kunnen voor tientallen jaren meegaan. Volgens het Masterplan Aardwarmte kan geothermie voor 5 procent in de warmtevraag van Nederland voorzien in 2030. In 2050 kan dit oplopen tot 23 procent.

Investeringen en risico’s

Omdat er voor aardwarmteputten diepe boringen nodig zijn, vraagt geothermie om flinke investeringen. Ook is het belangrijk dat er in de buurt van putten voldoende afnemers beschikbaar zijn, om de hoeveelheid pijpleidingen te beperken.

Net zoals bij boringen naar olie en gas, zitten er ook enkele risico’s aan geothermie, meldt Milieu Centraal. Zo is er kans op aardbevingen of vervuiling van het grondwater. Het Staatstoezicht op de Mijnen is het controlerend orgaan in Nederland dat toeziet op het beperken deze risico’s.

Lees ook:

Dus je dacht duurzaam bezig te zijn met je mandje vol ESG-aandelen

Stel je voor: je hebt een financieel gezond jaar achter de rug en besluit je dertiende maand een mooi plekje te willen geven. Het liefst in een aandelenfonds dat lekker rendeert, waar je weinig omkijken naar hebt en dat ook nog een positieve werking heeft op mens en milieu. Je kiest uiteindelijk voor een goed presterend aandelenmandje met een hoge ESG-rating. Zo’n rating zegt je eigenlijk niets, maar omdat je weet dat ESG staat voor Environmental, Social en Governance en de rating groen kleurt, klik je vol vertrouwen op de koopknop. Heb je nu een goede keuze gemaakt? Niet zonder meer, waarschuwen experts. ESG-ratings kunnen een misleidende werking hebben, aangezien ze gestoeld zijn op een beperkte duurzaamheidsvisie. Beleggers en fondsmanagers interpreteren de scores als maatstaf voor hoe goed een aandeel of aandelenfonds is voor de wereld, maar eigenlijk kun je dat oordeel er helemaal niet mee vellen. Dat leidt tot scheve verhoudingen in de wereld van groene beleggingen. Hoe werkt het? ESG-ratings bestaan al geruime tijd. Ze reiken terug naar vlak na de millenniumwisseling en zijn de afgelopen vijf jaar echt gangbaar geworden in de financiële wereld. Inmiddels ontvangt vrijwel elk beursgenoteerd bedrijf een ESG-stempel van ratingbureaus als MSCI en Sustainalytics. “Een ESG-rating brengt in kaart of een bedrijf financiële risico’s ondervindt door factoren op het gebied van klimaat en ethisch-bestuurlijke kwesties”, vertelt Jan Anton van Zanten, expert op het gebied van SDG-beleggingen bij Robeco. “Bijvoorbeeld het effect van watervervuiling, de uitstoot van CO2 of genderongelijkheid. Ratingbureaus verzamelen data over deze factoren en verdelen die onder in verschillende categorieën. Daarmee wordt uiteindelijk een totaalscore berekend. Elk ratingbureau heeft een eigen manier om dit te doen. Ze nemen een gemiddelde of kennen bepaalde wegingen toe aan de verschillende categorieën. Als belegger kun je vervolgens besluiten om niet meer te investeren in de bedrijven die het slechtst scoren, of juist meer te investeren in bedrijven die goeie ratings ontvangen.” Een rating loopt doorgaans van 0 tot 100, waarbij een hoger getal een betere score aanduidt, oftewel een lager risico op het bedrijf. Dat risico gaat maar één richting op; het effect dat een veranderende wereld heeft op de bestaanszekerheid van een onderneming. In feite vertelt een hoge ESG-score je dus alleen: chapeau, dit bedrijf heeft er alles aan gedaan om te verzekeren dat milieu-, sociale en bestuurlijke factoren geen afbreuk zullen doen aan de winstgevendheid. Rating zegt niet alles Maar vanuit duurzaamheidsoogpunt is dat maar het halve verhaal. De andere richting, namelijk het effect dat bedrijven hebben op ESG-factoren, wordt niet meegenomen in de ratings. Daardoor komt het in de praktijk voor dat bedrijven die veel CO2 uitstoten of bijdragen aan de afname van biodiversiteit, alsnog goed beoordeeld worden door ratingbureaus. “Wat je ziet, is dat bedrijven in de tabaks-, frisdrank- of fastfoodindustrie heel goede ratings krijgen, terwijl je vast wel zult begrijpen dat zulke bedrijven niet echt bijdragen aan een betere wereld”, zegt Van Zanten. “Dat komt omdat ze bijvoorbeeld een streng beleid hanteren op het gebied van gendergelijkheid of goede bescherming bieden voor klokkenluiders. En in het geval van tabaksbedrijven zou je kunnen zeggen: het effect van ESG-factoren op hun winstgevendheid is minimaal, want mensen blijven toch wel verslaafd aan roken. Dat levert een hoge score op. Maar vanuit een impactperspectief zijn die bedrijven helemaal niet duurzaam, terwijl de rating dat wel doet blijken.” Een ander probleem, vergelijkbaar met de kritiek die voorheen werd geuit op de Nutri-Score in supermarkten, is dat ESG-ratings bedrijven beoordelen ongeacht de branche waarin ze werkzaam zijn. “Ratingbureaus hanteren een soort best in class-aanpak”, vertelt Paul Ruijs, specialist op het gebied van impactmetingen bij Robeco. “Ze kijken binnen bepaalde sectoren naar welke bedrijven goed en minder goed presteren. De beste krijgen vervolgens een goede score. Maar je zou je bij sommige sectoren kunnen afvragen of die eigenlijk niet in zijn geheel onduurzaam zijn.” Meeliften Amerikaanse economen becijferden vorig jaar dat slechts 5 procent van de 250 grootste aandelenfondsen die geoormerkt zijn als duurzaam of sociaal verantwoord, écht bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering. Toch lift de overige 95 procent wel mee op het duurzaamheidsstempel, waar de bedrijven financieel gezien garen bij spinnen. Beleggers investeren tegenwoordig namelijk steeds meer vanuit een duurzaamheidsmotivatie, en daardoor vloeit er veel geld naar aandelen of fondsen met een hoge ESG-rating. Beleggers met weinig duurzaamheidskennis vertrouwen er vaak blind op dat dit soort fondsen bestaan uit bedrijven die goed doen voor de wereld. “ESG-ratings hebben zeker legitimiteit”, zegt Ruijs. “Maar ze worden vaak verkeerd geïnterpreteerd en verkeerd in de markt gezet, zijnde iets om positieve impact mee te kunnen aanduiden. Maar daar heb je echt een andere statistiek voor nodig.” SDG-ratings Volgens Robeco ligt het antwoord in een rating die gebaseerd is op de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (de SDG’s). Die is nodig in aanvulling op ESG-ratings, om beide kanten van het duurzaamheidsveld te belichten. Dubbele materialiteit, wordt dat in jargon genoemd. De vermogensbeheerder maakt zo’n SDG-score voor inmiddels ongeveer 24.000 bedrijven, waarbij gekeken wordt naar de producten, diensten en bedrijfsvoering van ondernemingen, en of die betrokken zijn bij publieke controverses. Ook wordt meegewogen in welke sector een bedrijf werkzaam is, en of die schade berokkent aan het klimaat of de samenleving. De SDG-score loopt van min drie (heel slecht) naar plus drie (heel goed), en is net als bij zijn ESG-evenknie een samenvoeging van meerdere subscores. “Belangrijk is dat je een slechte prestatie op één SDG niet kunt wegpoetsen met een goede prestatie op de ander”, aldus Ruijs. “Zo werkt dat bij ESG-ratings over het algemeen wel. Bij SDG-ratings is het zo dat meerdere positieve subscores met één negatieve ertussen uiteindelijk leidt tot een negatief eindoordeel. Een controverse als het schenden van mensenrechten is daar een voorbeeld van. Dan is de score gelijk negatief, ook als de andere factoren wel positief zijn.” Niet geheel verrassend, komt het veel voor dat bedrijven met goede ESG-ratings een slechte SDG-rating ontvangen. “Je ziet in de tabakssector dat vrijwel alle bedrijven een negatieve SDG-rating krijgen, terwijl een vrij groot deel wel positieve ESG-beoordelingen ontvangen. Maar het werkt ook de andere kant op. Dat komt bijvoorbeeld omdat sommige duurzame bedrijven niet heel transparant zijn over bepaald beleid dat ze hebben.” Ongereguleerde markt Robeco ziet niet als enige in dat ESG-ratings een eenzijdige boodschap vertolken. Zo kondigde de vermogensbeheerder Schroders onlangs aan beleggingsfondsen op te richten die de SDG’s als basis hebben. Daarnaast zijn er meer partijen in de markt die nu ook SDG-ratings geven aan beursgenoteerde bedrijven, naast of in plaats van ESG-ratings. En zelfs de Europese Unie heeft afgesproken om de arena van ESG-ratings, op dit moment een veelal ongereguleerde markt, strenger te handhaven en bovendien het concept van dubbele materialiteit te stimuleren. “In principe moedigen wij die ontwikkeling in de EU aan”, laat Ruijs weten. “Maar we kiezen er zelf wel voor om een duidelijk onderscheid te maken tussen financiële materialiteit en impact-materialiteit, en om deze met afzonderlijke ratings in kaart te brengen. Anders verwachten we dat er verwarring ontstaat over hoe een bepaalde score herleid kan worden.” En nu? Terug naar die dertiende maand – wat moet de moreel gedreven belegger met al deze informatie? Volgens Van Zanten is het essentieel om jezelf eerst te informeren en niet achteloos te vertrouwen op ESG-ratings. “Vraag je als investeerder af: wat voor informatie heb ik nodig om zéker te weten dat dit bedrijf duurzaam is? Zorg dat je echt goed begrijpt wat dat inhoudt. En zorg ook dat je checkt of de fondsmanager die je selecteert om voor je te beleggen de capaciteit heeft om dat goed te doen.” Daarnaast denkt hij dat SDG-ratings niet alleen vanuit beleggersperspectief waarde toevoegen, ook kunnen ze de beoordeelde bedrijven helpen. “Er zijn veel bedrijven die willen weten hoe ze het verschil kunnen maken en wat daar vanuit hun kant voor nodig is. SDG-ratings kunnen hen veel inzichten geven in hun bedrijfsvoering. Er zijn daarom ook veel bedrijven die ons vragen: wij scoren slecht op deze factoren, wat kunnen we doen om dat om te draaien?” Lees ook: Financieren banken zichzelf de ondergang in? De ECB hint daar wel opZo escaleerde de klimaatoproep van Follow This aan oliegigant ExxonMobilHet Parijs-akkoord kan de EU duizenden miljarden euro’s besparen