Hannah van der Korput
14 mei 2025, 11:05

Windparken op zee leveren veel meer op dan energie alleen

Het verdienmodel van windparken staat op de tocht. Waar het financiële plaatje belangrijk is, leveren windturbines op zee ook biodiversiteitswinsten op. Haaien, oesters en zeewiertelers maken er al handig gebruik van.

Getty Images 2210959154 1 De investeringen in wind op zee niet alleen te vatten in geld. | Credits: Getty Images

Wind op zee is onmisbaar voor de energietransitie. Tegelijkertijd heeft de markt het moeilijk. Prijzen van benodigde grondstoffen zoals koper en staal zijn enorm gestegen. Tel daar inflatie, een hoge rente op leningen, stijgende personeelskosten en een krakende toeleveringsketen aan toe en het financiële plaatje voor windparkontwikkelaars ziet er ongunstig uit.

Al zijn de investeringen in wind op zee niet alleen te vatten in geld. De turbines op zee hebben een hoop nevenfuncties. Ze zijn van grote waarde voor vissen en ander zeeleven.

Leefgebied voor haaien en roggen

Er zwemmen vijf soorten haaien en roggen rond bij windmolenparken aan de Nederlandse kust, blijkt uit recent onderzoek van de WUR. Onderzoekers troffen onder andere DNA-sporen aan van de reuzenhaai bij 139 turbines van windmolenpark Hollandse Kust Zuid.

Onderzoekster Annemiek Hermans noemt het goed nieuws. “Een tijdlang werd gedacht dat de activiteit op windmolenparken haaien en roggen zou weerhouden. Maar onze informatie laat zien dat dat niet zo is”, verklaarde ze tegen de NOS.

Aanleiding voor het onderzoek was de aanleg van de vele parken op zee. Hermans en collega’s waren bang dat de dieren verstoord zouden raken en weg zouden trekken. “Denk aan onderwaterlawaai. Veel scheepvaartbewegingen. Er worden stenen gestort; het is best wel een drukke periode”, aldus de onderzoekster. Ondanks dat lijken de haaien en roggen zich thuis te voelen tussen de windmolens.

Verboden te vissen

Bij windparken is vissen met sleepnetten verboden. De vissersboten zijn te groot om zonder risico tussen de windturbines te varen en bovendien kunnen de netten die over de zeebodem gaan de bekabeling beschadigen. Dat er niet gevist mag worden met een sleepnet, heeft effect op de bodemdieren die daar leven. De bodem blijft intact, wat ervoor zorgt dat dieren daar rustig kunnen leven, schuilen en voortplanten. Al hebben sommige soorten juist baat bij een zeebodem die wordt omgewoeld. Zo profiteert de garnaal van de voedseldeeltjes die dan vrijkomen. Filtervoeders, soorten die hun eten verkrijgen door water te filteren, zoals sponzen en anemonen, gedijen juist goed op een rustige zeebodem.

Een onverstoorde zeebodem is daarnaast een goede opslagplaats voor koolstof. Het kan daar duizenden jaren blijven zitten. Dat is anders wanneer de bodem wordt aangetast: dan reageert de koolstof met zuurstof. Op dat moment wordt koolstofdioxide, dus CO2, gevormd.

Zeewierproductie

Vlak bij Scheveningen, zo’n 22 kilometer van de kust, staat De North Sea Farm #1. Het is de eerste commerciële zeewierboerderij ter wereld die pal tussen de windmolens ligt.

De zeewierboerderij bestaat uit 50 meter lange buizen die op het water drijven. Daaronder zijn netten bevestigd, waar het zeewier op gaat groeien. De eerste teelt wordt binnenkort geoogst en bedraagt een verwachte opbrengst van 6.000 kilogram. Dat kan veel meer worden, zei Eef Brouwers al eerder tegen Change Inc. Hij is algemeen directeur van North Sea Farmers, de brancheorganisatie voor de Europese zeewierindustrie en eigenaar van de boerderij op zee. “Plaatsen we netten tussen veel meer windturbines op zee, dan kunnen we miljoenen tonnen zeewier kweken.” Zeewier bevat het veel vezels, mineralen, visvetzuren, vitamines en eiwitten die gebruikt kunnen worden in voeding, cosmetica, bioplastic en textiel.

Koraal kweken

Naast zeewier zijn windparken op zee ook geschikt om koraal te kweken. Het Deense energiebedrijf Ørsted doet dat al op vier windturbines in het Greater Changhua offshore windpark in de warme wateren bij Taiwan. Daar wordt aangespoeld koraal op de frames van de windmolens geplaatst, vlak onder het wateroppervlak. Op die manier wordt het koraal blootgesteld aan voldoende licht en heeft het de beste kans om te groeien. De wateren rond het windpark hebben een relatief stabiele temperatuur, wat het koraal ten goede komt.

Oestertafels

Windmolens zijn vaak gebouwd op steenachtig materiaal, als onderdeel van de fundering. Voor zeeleven is dat een geschikte omgeving om zich in te nestelen. Om dat proces op gang te brengen, worden zogenoemde oestertafels aangelegd. Dat doet stichting De Rijke Noordzee samen met ontwikkelaars van offshore windparken zoals Vattenfall en Eneco. De tafels met volwassen oesters worden rondom de windmolentorens geplaatst, waarna de oesters larven gaan produceren. Die larven hechten zich van nature aan het materiaal in de omgeving. Op hun beurt trekken de oesterbaby’s weer allerlei ander onderwaterleven aan.

Schuilplaats voor kreeften

De laatste in het rijtje biodiversiteitswinst van windmolenparken op zee is een onderzoek afkomstig uit Wales. Daaruit blijkt dat de Europese Noordzeekreeft zich graag terugtrekt in de stenen en keien die ter bescherming om windmolens worden geplaatst. De Homarus gammarus, oftewel de Noordzeekreeft, gebruikt die schuurbescherming als rust- en schuilplaats na het zoeken van voedsel. Dat is goed nieuws voor de Noordzeekreeft, want die wordt in Europa met overbevissing bedreigd.

Lees ook:

Changemaker Lizzy Butink (Dura Vermeer): ‘Ik ben in mijn element als ik tegen conservatieve gedachten in kan gaan’

Hoe ziet jouw rol als duurzaamheidsmanager eruit?“Ik ben verantwoordelijk voor de duurzame transitie bij de bouw- en vastgoedafdeling van Dura Vermeer. We weten dat we naar een CO2-neutrale, natuurinclusieve en klimaatadaptieve omgeving moeten, en we weten ook met welke technieken we dat moeten bereiken. Het is onze taak als bouwbedrijf om ervoor te zorgen dat die technieken betaalbaar en schaalbaar worden, en dat we alle partijen aan boord krijgen. Als duurzaamheidsmanager werk ik aan het aanscherpen van onze net-zero-strategie, zorg ik dat duurzaamheid verankerd wordt in de bedrijfsvoering, en communiceer ik veel over ons beleid. Daarnaast werk ik veel samen met de markt en collega's om duurzaamheid niet als los project te zien, maar als onderdeel van het nieuwe normaal.”Wat motiveerde je om dat bij een groot bouwbedrijf te gaan doen?“Al sinds ik me kan herinneren, heb ik een groot verantwoordelijkheidsgevoel en voel ik de drang mijn uiterste best te doen om iets bij te dragen. Ik ben elke dag dankbaar voor de plek waar ik ben geboren en het comfort dat die plek mij geboden heeft. Tijdens mijn studie sociale geografie en planologie ben ik gefascineerd geraakt door de complexe, maar prachtige samenhang tussen mens en aarde. In steden, tussen landen, maar ook de geopolitieke krachten die alles met elkaar verbinden. Na mijn studie ging ik bij ASR Real Estate werken. Daar deed ik onderzoek naar waar mensen willen wonen, werken en leven. Het ging aan me knagen: wat is eigenlijk mijn bijdrage aan de samenleving? Rendement maken op vastgoed voelde in ieder geval niet als een interessante drijfveer. Toen vroeg de directie of ik als eerste duurzaamheidsmanager aan de slag wilde gaan. Daar kwamen mijn verantwoordelijkheidsgevoel en liefde voor de gebouwde omgeving eigenlijk samen. Zo is het voor mij begonnen.”Welke les uit je tijd bij ASR nam je mee naar Dura Vermeer?“Dat verandering uiteindelijk altijd van binnenuit organisaties komt. Je kunt verandering natuurlijk wel aansturen vanaf de buitenwereld, maar alleen binnen organisaties kun je die echt verankeren. Het politieke klimaat is belangrijk, maar niet allesbepalend. Landelijk beleid loopt namelijk altijd achter op wat er in de markt mogelijk is. Natuurlijk worden er in deze huidige politieke tijd uitspraken gedaan die kort gezegd visieloos, instabiel en onbetrouwbaar zijn. Maar gelukkig is men daar bij ons duidelijk over: wij gaan daar als organisatie niet in mee. Wij gaan door.”Je bent gefascineerd door het principe van ‘social tipping points’. Als meer dan 25 procent van een populatie in iets nieuws gelooft, dan is verandering niet meer tegen te houden. Heeft de bouwsector al zo’n kantelpunt bereikt als het om duurzaamheid gaat?“Ik denk dat grote Nederlandse bouwbedrijven dat kantelpunt naderen. Ze investeren in kennis, innoveren in technieken en erkennen de urgentie. Maar het zijn niet de grotere spelers die de meeste huizen bouwen, dat doen de middelgrote en kleine aannemers. Voor mijn gevoel zijn die iets minder ver. Ik ben mijn eigen huis aan het verduurzamen, en laatst adviseerden meerdere bouwbedrijven op de hoek toch vooral weer een nieuwe cv-ketel in plaats van een warmtepomp, en steenwol in plaats van biobased isolatie. Op dat vlak hebben we nog een weg te gaan.”Je zegt dat de grote bouwers het kantelpunt van duurzame verandering bijna bereikt hebben. Toch hoor je ook vaak dat de bouwsector conservatief van aard is.“Toen ik bij Dura Vermeer begon, was ik daar inderdaad bang voor. Maar ik zie juist dat het conservatieve er heel erg vanaf gaat. Ik krijg als duurzaamheidsmanager heel veel steun in mijn werk, en dat is een teken dat de sector zich beweegt. En gelukkig ben ik juist in mijn element als ik tegen conservatieve gedachten in kan gaan.”Uit onderzoek van ING blijkt dat de CO2-uitstoot van de bouw sinds 1990 amper is afgenomen. Hoe verklaar je dat?“Het pijnpunt van de transitie naar duurzame steden is niet meer de energietransitie. Die is zichzelf wel vlot aan het trekken. De grootste uitdaging zit ‘m nu in de materialen. Daar komt een derde van alle CO2-uitstoot in de bouw vandaan. We weten dat biobased en hergebruikte materialen duurzamer zijn en welke technologieën er voor nodig zijn om die te gebruiken. Nu moeten we er nog voor zorgen dat ze betaalbaar en schaalbaar worden. We zijn daar al goed mee bezig, maar dat zie je inderdaad nog niet altijd in de cijfers terug. Ik denk dat dat voor een groot deel te maken heeft met de looptijd van bouwprojecten. Die duren zo’n acht tot tien jaar. Als je nu dus iets aan het bouwen bent, doe je dat met de kennis van vijf tot zes jaar geleden. Het duurt daardoor erg lang voor je de effecten van verduurzaming ziet.”Wat is jouw grootste uitdaging als duurzaamheidsmanager?“Er spelen momenteel veel maatschappelijke problemen tegelijk. Het klimaatprobleem en het woningtekort bijvoorbeeld, om van de geopolitiek nog maar te zwijgen. Het is een uitdaging om ervoor te zorgen dat we het ene probleem niet verergeren in onze poging het andere op te lossen.”Heb je een voorbeeld van een situatie waarin dat dreigt te gebeuren?“Zeker: we moeten 1 miljoen woningen bouwen in Nederland. Die moeten betaalbaar zijn, maar we moeten er ook voor zorgen dat we binnen de planetaire grenzen blijven. We mogen eigenlijk geen extra CO2 meer uitstoten. Er zijn mooie studies uitgevoerd naar de manieren om ondanks planetaire beperkingen toch te kunnen bouwen, en ook als Dura Vermeer zijn we daar veel mee bezig. Maar het blijft een flinke uitdaging.”Wat zou je als tip willen geven aan andere duurzaamheidsmanagers?“Je primaire focus moet zijn om duurzaamheid minder vrijblijvend te maken. Zorg dat het écht een onderdeel wordt van de bedrijfsvoering van je organisatie. Dat milieu-effecten net zo belangrijk worden bevonden als efficiëntie en geld. CO2 moet naast de euro komen te staan. Als je organisatie daar niet klaar voor is, kun je het meer vanuit de competitie-gedachte benaderen. Bedrijven hechten er veel waarde aan niet achter te lopen op concurrenten, en als die concurrenten veel met duurzaamheid bezig zijn, kun je dat in je voordeel gebruiken. Blijf geduldig maar laat niet los. Duurzame verandering is geen sprint. Blijvende verandering heeft tijd nodig.” Lees ook:Changemaker Melvin Sieben (Mejor Technologies) detecteert bosbranden in vroeg stadium: 'We willen overal bijdragen aan een gezonde planeet' Changemaker Sander van Lopik (Roffa Reefs): ‘We weten serieus meer over de maan dan over koraalrif’ Changemaker Marlot Kiveron verduurzaamde Ace & Tate: ‘Zie weerstand niet als iets negatiefs maar als een kans’