Anna Roos van Wijngaarden 26 april 2023, 11:53

Minder mode maken: past dat in het huidige systeem? Dit zeggen textielvernieuwers

Naar aanleiding van Fashion Revolution Week organiseerde Trouw een expertpanel over de status van duurzame mode in Nederland. Hoe kan de industrie op innovatieve manieren minder maken? Past dat wel in het huidige, snelle systeem, en welke stappen zijn nodig in eigen land?

Adobe Stock 590661224 Duurzame mode vraagt om maar over innovatieve materialen innovatieve ontwerpen en businessmodellen. | Credits: Adobe Stock

In een gevuld Pakhuis de Zwijger schuiven op maandagavond 24 april één voor één duurzame textielexperts aan. Doel van de avond is om in deze duurzame modeweek de status quo onder de loep te nemen. Want ook in Nederland is duidelijk geworden dat mode maken én dragen anders moet.

Verborgen kosten

“De mode-industrie is een van het meest vervuilende industrieën ter wereld”, herinnert Jeroen van den Eijnde, lector tactical Design bij ArtEZ. “Dat komt in eerste instantie omdat het een totaal geglobaliseerde sector is en dat maakt hem weinig transparant. Je hebt met een hele ingewikkelde keten te maken waarbij vezels de hele wereld overgaan. We weten dus ook niet goed wat er in dat proces allemaal gebeurt. En we leven in een maatschappij die toch probeert om producten tegen zo laag mogelijke kosten aan de man te brengen. Dat betekent dat er allerlei dingen gebeuren die niet erg duurzaam zijn.”

Volgens Van den Eijnde is die ‘race to the bottom’ de laatste decennia extreem doorgeslagen. “In de jaren ’90 was er nog wel balans in prijs-kwaliteit, maar daarna ging het mis. Een shirt of broek ligt in de winkel voor prijzen waar elk verstandig mens bij denkt: daar moet ergens op ingeleverd worden.”

En zo is het ook. Via de sociale en ecologische kant worden externe kosten gemaakt die nu niet in het prijskaartje worden opgenomen. “Als je een kledingstuk van tien euro koopt, moet dat ergens betaald worden. Dat kan in de lonen van de productielanden zitten of in verwerkingstechnieken.” De lector vergelijkt het verhaal met de ‘verborgen kosten’ die de aarde betaalt voor de vliegtuigindustrie: zolang partijen vrijgesteld zijn van belasting op kerosine, gaat daar niet veel veranderen.

Panelleden Elisa Jansen, Jeroen van den Eijnde, Nanette Hogervorst, Stijntje Jaspers. | Credit: Anna Roos van Wijngaarden

Regels moeten wel helpen

Over de hoofdrol van de overheid in de textieltransitie stemmen de panelleden dan ook eenduidig ‘ja’. Er gebeurt al veel – op nationaal en Europees niveau. Programma’s vanuit de Europese Green Deal zijn in de maak. Daardoor krijgen merken straks langere boodschappenlijstjes met criteria over wat er wel en niet mag. Het eerste vereiste is dat er meer transparantie in de keten komt. Dus waar grondstoffen vandaan komen en waar materialen en producten vervolgens naartoe stromen. Daar kunnen bedrijven vervolgens op aansturen: wat mag er dan wel en niet in?

Die regels moeten afgedwongen worden, maar zoals ze nu zijn, dienen ze lang niet altijd de belangen van veranderaars, haalt Stijntje Jaspers aan. Na 28 jaar ervaring in de textielbusiness, werd zij directeur bij Stichting Fibershed die in Nederland circulaire textielketens bouwt. “Er komen misschien wetten aan waardoor er 20 procent gerecycled materiaal moet zitten in alle kleding. Een van onze deelnemers, The Knitwear Stable in Baambrugge, maakt truien met Nederlandse schapen, gebreid op eigen terrein. Daar moet dan dus gerecycled materiaal in, terwijl dat de mooiste producten zijn die wel veertig jaar meegaan en ook nog biologisch afbreekbaar zijn.”

Hoger op de R-ladder

Veel beter is het, vuurt Jaspers aan, als die regels merken helpen om boven in de keten te beginnen met verduurzamen. Dan hebben we het dus niet over recycling, nummer vijf op de R-ladder, maar over innovatieve materialen, productontwerpen, technologieën en businessmodellen. De sprekers zijn het erover eens dat regels vooral moeten aansturen op betere kwaliteit.

Dat maakt de markt van panellid Elisa Jansen, die een kledingbibliotheek voert, ook aantrekkelijker. “Wij leren heel veel over de nazorg van producten: hoe ziet iets eruit als het twintig keer gewassen is. Gaat het ergens op dezelfde plek altijd kapot en welke materialen gaan lang mee? Wij geven die informatie ook graag terug aan uitlenende merken zodat zij hopelijk met die informatie weer in het designproces stappen en betere producten kunnen maken. Dan kunnen wij ze vaker uitlenen en kunnen zij daar meer op verdienen.”

Voor een hogere kwaliteitsstandaard is een cultuurverandering nodig, maar Van den Eijnde denk dat dat vanzelf gaat als meer consumenten willen consuminderen. Het is wat dat betreft een kip-of-ei-verhaal. “Als er minder geconsumeerd wordt, neemt de druk naar de industrie toe om op een andere manier naar verdienmodellen te kijken, dus dat iets langer in gebruiksfase zit. In de auto-industrie wordt daar al mee geëxperimenteerd: als auto’s langer mee moeten gaan en niet kunstmatig verouderd moeten worden, dan moeten we geld kunnen gaan verdienen met reparaties.”

De R-ladder van de Nederlandse circulaire economie. | Credit: RVO

Beter is ook duurder

Met leen- en repareermodellen proberen vernieuwers overconsumptie én productie tegen te gaan, maar het gros van de industrie bestaat toch uit nieuwe productie. Minder mode maken is voor hen een ambitieuze missie, maar minder grondstoffen gebruiken is reëel. Dat kan bijvoorbeeld door in te zetten op biomaterialen, ziet Van den Eijnde door zijn designbril. “Wij doen speculatief onderzoek naar biomaterialen die je in kunt zetten voor nieuwe textielalternatieven.” Hij doelt op materialen zoal mycelium, een biologisch afbreekbaar materiaal dat duurzaam wordt gekweekt met schimmels.

Die duurzamere technieken hebben overigens wel een prijskaartje, dringt Jaspers aan. “Wij [bij Fibershed] zien hoe lokale, duurzame producten die veel minder negatieve effecten hebben en veel langer meegaan in verhouding superduur zijn, dus het is heel lastig om dat op te schalen. Daar zit de lobby van de ‘gewone’ textielbranche om wetgeving te voorkomen nog flink in de weg.

Aan de kraan zitten

Dat het belangrijker wordt om gemaakte kleding zo lang mogelijk in leven houden, staat als een paal boven water. “Daardoor is een LENA Library bijvoorbeeld echt een fantastische oplossing”, zegt Jaspers, “maar zolang we doorgaan met produceren zoals we het nu doen, is het dweilen met de kraan open. We moeten ook even aan die kranen gaan zitten, ons focussen op welke grondstoffen en productiemethodes we gebruiken, zodat er straks helemaal geen afval meer is.”

Meer lezen?

Nieuwe chef-kok van Jaarbeurs: 'Ik wil duurzaam eten toegankelijk maken voor een breed publiek'

Je bent inmiddels anderhalve maand werkzaam bij Jaarbeurs. Wat zijn je eerste indrukken? “Jaarbeurs is een prachtig bedrijf en een icoon in de Nederlandse horecabranche. Ik ben blij en trots dat ik hier mag zijn. Op het gebied van duurzaamheid zijn al prachtige stappen gezet, maar ik denk dat er meer mogelijk is. Daar mag ik de aankomende tijd mee aan de slag en ik krijg daar ook alle ruimte voor. Daar word ik erg enthousiast van.”Wie is Peter Scholte? Peter Scholte is de kersverse chef-kok van Jaarbeurs. Hiervoor werkte hij (onder andere) bij Le Garage van Joop Braakhekke, The Duchess in het W-hotel in Amsterdam en het Catalaanse restaurant elBulli in Spanje. In Utrecht zette hij The Green House op, een duurzaam en circulair restaurantconcept. Hij behaalde een Michelin-ster toen hij als chef-kok werkzaam was in Noorwegen.Hoe kwam duurzaamheid bij jou op de kaart te staan? “Voor een groot deel van mij carrière werkte ik bij Michelin-restaurants. Daar gold: het maakt niet uit waar de ingrediënten vandaan komen, als het maar de beste van de beste ingrediënten zijn. Er werd zelfs entrecote overgevlogen uit Australië. Toen dacht ik bij mezelf: ‘We zijn echt gek geworden met z’n allen. Dat moet toch anders kunnen?’ Groenten van eigen bodem kunnen minstens net zo lekker zijn als het biefstukje dat wordt ingevlogen. Misschien nog wel lekkerder. En de uiterwaarden van de Rijn zorgen ook voor prachtige biefstuk. Dat gedachtegoed breng ik sindsdien aan de man.” Hoe geef je daar invulling aan in je dagelijkse werkzaamheden? “Als zoon van een groenteboer kies ik zo veel mogelijk voor groenten. En het liefst groenten uit het seizoen. Een belangrijke voorwaarde die ik daarbij stel: de ingrediënten moeten van Nederlandse bodem komen. Dat kan tegenwoordig ook heel gemakkelijk. Gember en zoete aardappel hoeven echt niet van ver weg te komen, die worden ook gewoon in Nederland geteeld. Daarnaast wil ik weten hoe de producten gekweekt zijn. Gasgestookte kassen vermijd ik liever. Mijn groenteboer wordt af en toe gek van me, maar ik vind dat wel belangrijk. Ik wil een goed en transparant verhaal kunnen vertellen aan m’n gasten.” Je zette The Green House op in Utrecht, een duurzaam en circulair restaurant. Wat is de belangrijkste les die je daar leerde? “Dat er ontzettend veel mogelijkheden zijn om onze voedselvoorziening te verduurzamen en dat het wel degelijk een haalbare businesscase heeft. Máár … in veel gevallen kan het wel lastig zijn om het financiële plaatje rond te krijgen. Daar zijn slimme, scherpe keuzes hard bij nodig.” Waarom koos je ervoor om bij Jaarbeurs aan de slag te gaan? “Een van mijn voorwaarden was dat ik hier vol op duurzaamheid mocht inzetten. En dat mocht. De producten die we inkopen, de gerechten die we serveren, de keuzes die we maken … Ik mag daar echt stappen in gaan zetten. Dat trok me over de streep.” Wat doet Jaarbeurs op het gebied van duurzame voedselvoorziening? Jaarbeurs zette de afgelopen jaren al verschillende stappen om haar voedselvoorziening te verduurzamen en won daar zelfs een award voor. Zo werd vlees zo veel mogelijk van de menukaart gehaald en vervangen door vegetarische opties. In het bedrijfsrestaurant worden tegenwoordig zelfs uitsluitend vegetarische gerechten aangeboden. Daarnaast spant Jaarbeurs zich op verschillende manieren in om voedselverspilling tegen te gaan, bijvoorbeeld door samen te werken met Too Good To Go. Door die inspanningen werden al meer dan 180.000 maaltijden gered van de prullenbak.Hoe ga je de voedselvoorziening binnen Jaarbeurs in de aankomende jaren verduurzamen? “Uiteindelijk wil ik naar een honderd procent vegetarisch aanbod toe. Daarnaast vind ik het vooral belangrijk om duurzaam eten toegankelijk te maken voor een breed publiek. Bij Jaarbeurs is dat bij uitstek mogelijk. Door de diverse beurstitels, van de Bouwbeurs tot de Vakantiebeurs, komen hier immers veel verschillende mensen over de vloer. Het is echt een doorsnede van Nederland. Dat biedt mij de mogelijkheid om veel verschillende doelgroepen mee te nemen in een duurzaam verhaal. Een prachtige uitdaging.” Lees meer over Jaarbeurs: CEO Jaarbeurs: “Duurzaamheid uit het hart van de medewerkers, dat is mijn doel”Jaarbeurs en de bouwevents van de toekomst Dit artikel is gemaakt door een van onze expertredacteuren in samenwerking met onze partner. Change Inc. werkt met partners die de klimaattransitie aanjagen. Zij kunnen cases presenteren waar anderen zich aan kunnen optrekken en zijn eerlijk over de uitdagingen. Niet één bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar veel zijn onderweg. Dankzij ons partnermodel zijn onze artikelen gratis toegankelijk voor iedereen. Benieuwd naar onze partners? Klik hier.