Eva Segaar 12 augustus 2021, 14:34

On the way to PlanetProof: wat betekent het keurmerk?

Wie door de supermarkt loopt, ziet steeds vaker het blauwe logo opduiken: ‘On the way to PlanetProof’. Het staat onder meer op fruit, rodekool, melk en op eieren. Maar waar staat het keurmerk precies voor? En is het echt duurzamer? Je leest het hier.

Teler met hak bordlarge Telers Pieter Pateer en Anne Douwe van der Zee telen bonen met het On the way to PlanetProof-keurmerk. | Beeld: Hak

PlanetProof heeft een lange geschiedenis, die teruggaat naar 1992. Toen ontstond Milieukeur, het keurmerk dat de Stichting Milieukeur (SMK) bedacht op initiatief van de ministeries VROM en Economische Zaken. “Het keurmerk kwam er om de productie en consumptie van duurzame producten te stimuleren”, zegt Wim Uljee, communicatiemanager bij SMK. “Maar Milieukeur groeide hard in de agrifood-sector en bleek geen ‘sexy’ naam voor food, dus werd het in 2018 omgedoopt tot On the way to PlanetProof.”

Het keurmerk staat voor minder impact op het milieu dan de gangbare teelt. Zo worden bij de productie tussen de 25 tot 50 procent minder bestrijdingsmiddelen gebruikt, wordt er minder kunstmest gebruikt, zuiniger omgegaan met water en energie, en worden de uitstoot van broeikasgassen en schadelijke stoffen verminderd.

Kortom, een keurmerk dat staat voor verduurzaming. De eisen worden ieder jaar strenger. “Vandaar dat ‘On the way’ ervoor staat”, zegt Uljee. “Om uiteindelijk uit te komen bij een landbouwproductie die in balans is met de draagkracht van de aarde. Afgelopen jaren hebben we de eisen jaarlijks strenger gemaakt. Komend jaar doen we dat niet, om de sector wat rust te gunnen.”

Het keurmerk is er voor aardappelen, groenten en fruit, zuivel, eieren, verwerkte producten en bloemen en planten. Voor elk onderdeel verschillen de eisen, maar het uitgangspunt is altijd dat het product het milieu minder zwaar belast dan vergelijkbare producten uit de gangbare teelt, en dat de eisen bovenwettelijk zijn.

Lees ook: Veevoer met 90 procent minder land dankzij microben en zonlicht

Groenten, bonen en peulvruchten

De rodekool van Hak draagt al sinds 2019 het keurmerk, en het bedrijf ligt op schema om dit jaar al haar Nederlandse groenten en peulvruchten (85 procent van het assortiment) gecertificeerd te krijgen. Wat komt daar allemaal bij kijken? “De telers moeten aan 36 eisen voldoen en in onderdelen van het teeltproces aanpassingen doorvoeren”, zegt Yolanda van Grootel, woordvoerder bij Hak. “Die eisen gaan vooral om verbetering van de bodemvruchtbaarheid, inzet van minder en natuurlijke gewasbeschermingsmiddelen en het zoveel mogelijk mechanisch bestrijden van onkruid. Maar er zijn ook eisen ten aanzien van goed waterbeheer en het bevorderen van de biodiversiteit in en om het areaal.” Volgens Van Grootel zorgt dat voor minder uitstoot van stikstof en fosfaat door beperking van mestgebruik, is het oppervlaktewater schoner en zijn er meer nuttige insecten en vogels op het land, als natuurlijke vijand van het ongedierte.

Maar waarom vindt Hak dit het juiste keurmerk om op alle producten door te voeren? “Het is het meest optimale systeem als het gaat over de combinatie tussen verduurzaming, grootschalige lokale teelt en opbrengstzekerheid”, zegt Van Grootel. “Deze drie aspecten zijn noodzakelijk om grote stappen te zetten bij het verduurzamen van de teelt, want het systeem wordt steeds strenger en de lat ligt elke keer weer hoger.”

Kan zuivel wel duurzaam zijn?

Ook de melk van FrieslandCampina draagt het keurmerk, terwijl koeien voor veel methaanuitstoot zorgen, een veel sterker broeikasgas dan CO2. En uit het recent verschenen IPCC rapport werd nogmaals duidelijk hoe belangrijk het is dat alle broeikasgassen zo snel mogelijk worden teruggedrongen. Uljee van Stichting Milieukeur snapt de scepsis. “Maar melk en zuivel worden toch wel geproduceerd, en dan kun je beter de impact die de grote industrietak op het milieu heeft verminderen door te verduurzamen.”

Zo worden er voor de On the way to PlanetProof-melkveehouders eisen gesteld aan de biodiversiteit, het klimaat en dierenwelzijn. “Melkveehouders zijn verplicht groene stroom af te nemen of op te wekken, en fossiele energie is een no go. Ook zijn er normen aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gesteld, wordt er minder geploegd zodat CO2 in de bodem wordt vastgelegd, staan de koeien minimaal 120 dagen per jaar in de wei en moet 50 procent van het veevoer van eigen land komen.”

Vervolgens controleren onafhankelijke certificatie-instellingen gemiddeld één keer per jaar bij alle keurmerkhouders, van teler tot melkveehouder, of alles in de haak is. En SMK ontvangt voor ontwikkeling en beheer van het keurmerk een financiële bijdrage van de keurmerkhouders.

Luister nu de podcast met Jouri Schoemaker van Pieter Pot: 'De duurzame keuze moet verleidelijk zijn'

De supermarkten

Alle supermarkten verkopen al groent- en fruit met het keurmerk, behalve de Albert Heijn: die heeft daarvoor een eigen label in het leven geroepen, ‘Beter voor Koe, Natuur & Boer.’ Best verwarrend voor de consument. Zijn er sowieso niet veel te veel keurmerken? “Nee”, zegt Uljee resoluut. “Er zijn niet teveel keurmerken, maar wel teveel labels en logo’s. Het is belangrijk om daar onderscheid in te maken.” Logo’s zijn bijvoorbeeld het vegan en vega-vinkje, keurmerken zijn bijvoorbeeld Fairtrade, biologisch en Beter Leven. “Het probleem met logo’s is dat ze niet altijd even transparant en betrouwbaar zijn. On the way to PlanetProof is dat wel, en staat daarom ook in de top 10-voedselkeurmerken opgesteld door Milieu Centraal.”

Maar het keurmerk mag volgens Uljee zeker nog bekender worden bij de consument: de naamsbekendheid ligt nu tussen de 40 en 50 procent. Daarom staat er voor komend najaar het één en ander gepland qua communicatie in de supermarkten. “Alle losse groente en fruit die in de supermarkten worden verkocht zijn vaak On the way to PlanetProof geteeld, maar de supermarkten mochten dat nog niet uitdragen, omdat ze daarvoor zelf ook gecertificeerd moeten zijn. De Jumbo en de Aldi zijn dat sinds kort, dus die gaan daar nu voluit over communiceren.”

Ook is SMK bezig met het aanleggen van een database, waarbij de prestatie van keurmerkhouders kan worden vergeleken met die van gangbare boeren. “Zo kunnen we echt aantonen dat het duurzamere producten oplevert”, zegt Uljee. Dat staat voor 2022 op de rol. En zo wordt het voor de consument ook inzichtelijker, wat uiteindelijk weer bij moet dragen aan het vertrouwen in, en de bekendheid van het keurmerk.

Lees ook: Wat zet je op tafel als je zo duurzaam mogelijk wilt eten?

Staal uit België straks gemaakt met milieuvriendelijke kolen uit Nederland

Daarmee zet de staalmaker een kleine, maar belangrijke stap naar duurzamer productie. Aangezien de staalindustrie een van de grootste uitstoters is in Europa, is dit soort verduurzaming noodzakelijk.Voor Perpetual Next betekent de deal een verdubbeling van hun productie van biokolen. Het bedrijf heeft een gepatenteerd systeem om uit 'houtachtige reststromen' kolen te maken. Dit heet torrefactie, wat komt van het Franse torrefier, vrij vertaald: roosteren. In reactorvaten wordt houtgrondstof in een omgeving met weinig zuurstof op hoge temperatuur ‘geroosterd’. Door de verwarming ontstaan uiteindelijk kolen, die qua gebruik hetzelfde werken als fossiele steenkool. Maar omdat het van ‘vers’ hout is gemaakt, kun je in principe oneindig dit soort kool maken, terwijl de voorraad steenkool eindig is.Waar komt de biomassa vandaan?“Het hout is komt uit regulier bosonderhoud en uit restafval van de meubelindustrie. Het is allemaal gecertificeerd door een externe partij”, vertelt Joost Oostveen, woordvoerder bij Perpetual Next. Er zal dus geen boom gekapt worden om biokool van te maken.En hoewel het proces hoge temperaturen vereist, is het volgens Oostveen wel CO2-neutraal. “Je moet aan het begin een beetje energie gebruiken om het reactorvat te activeren. Maar daarna zorgt het voor zijn eigen energie, want door houtresten op te warmen produceren ze gas. Dat gas halen we uit de reactor en gebruiken we om het hout te verwarmen. Zo krijg je een continu proces waarbij we steeds houtige biomassa toevoegen.”Het idee van torrefactie is niet nieuw, maar het op grote schaal toepassen was lange tijd lastig. “De industrie heeft miljarden geïnvesteerd in de techniek en er ontstonden veel bedrijfjes. Maar lang niet al die bedrijven konden op schaal biokolen produceren”, zegt Oostveen. Dat het Perpetual Next wel lukte, betekent dat ze nu de grote hoeveelheden kool kunnen leveren die ArcelorMittal nodig heeft.Martijn van Rheenen, CEO van Perpetual Next, is blij met de deal en het succes van zijn bedrijf. "We hebben met ons team 9 jaar en meer dan 100 miljoen euro in deze unieke torrefactie technologie geïnvesteerd. Met ArcelorMittal hebben we voor de productie van groen staal weer een waardige toepassing voor ons koolstof gevonden. Dit eerste project met de staalfabriek in Gent vertegenwoordigt een omzet voor Perpetual Next van circa 250 miljoen Euro in de eerste 5 jaar. ArcelorMittal produceert staal in 18 landen dus we zien het project in Gent als een mooi begin.”Biomassa is een controversieel onderwerp. De SER raadt gebruik als energiebron af, en stelt voor het materiaal alleen hoogwaardig toe te passen.Niet om te verbrandenArcelorMittal gebruikt de biokool niet als brandstof om de nodige hitte te produceren die het nodig heeft om staal te maken. Het biokool krijgt een hoogwaardigere toepassing als ‘cokes’: de bron van koolstof die nodig is om uit ijzererts ijzer en uiteindelijk staal te maken. Nu gebruikt men daar steenkool voor, maar biokool werkt net zo goed, en scheelt 2,5 ton CO2 per ton bespaarde steenkool, aldus het persbericht van ArcelorMittal.Voor Perpetual Next is het ook belangrijk dat hun kolen niet gebruikt worden voor energie. “We kregen wel een verzoek van een energiebedrijf. Maar dan steek je de kolen weer in brand, en dat is zonde, want je kunt ze beter toepassen.” Oostveen noemt drie hoogwaardige toepassingen: staal, cement en de biochemische industrie. Alle drie hebben koolstof als grondstof nodig, en de kolen bevatten die stof.Meer vraag dan aanbod voor duurzame koolAanvankelijk zal Perpetual Next 30.000 ton (30 miljoen kilo) biokool leveren. “Die hoeveelheid kunnen we met de reactoren die we nu hebben nog produceren. Maar de komende jaren wil ArcelorMittal opbouwen tot het jaarlijks 350.000 ton ontvangt. Dat vraagt om een verdubbeling van onze capaciteit. De komende tijd bouwen we dus meer reactoren, tot we er uiteindelijk zestien hebben.” Volgens Oostveen is de productiecapaciteit de bottleneck om biokool te leveren. “Er is zeker meer vraag dan aanbod. Dat is op dit moment het grootste probleem.”Ook denkt Oostveen niet dat biokool de enige oplossing kan zijn voor vervuilende industrie. “Het zal een onderdeel worden van de mix. Er is een heleboel nodig om de industrie duurzaam te maken, en alleen biokool is daar niet genoeg voor.” Ook voor ArcelorMittal zal de 350.000 ton maar een fractie van het totale kolenverbruik zijn. Volgens de laatste cijfers groef het bedrijf zelf in 2019 al 5,5 miljoen ton steenkool op.Waterstof en de industrieToch kan deze stap belangrijk zijn. Het laat zien dat er ook niet-fossiele bronnen voor koolstof zijn in chemische processen. Perpetual Next werkt nu aan onderzoek om te laten zien dat de biokool ook voor de cement- en chemische industrie geschikt is, zodat het ook daar kan gaan leveren. Op die manier kunnen ook deze sectoren, die als zeer vervuilend te boek staan, duurzamer worden. Hoewel ze dan allemaal nog steeds een duurzamere bron van warmte moeten vinden, die ook vaak nodig is voor deze processen. Zulke warmte kan bijvoorbeeld komen van waterstof of (laagwaardigere) biomassa.In heel Europa willen staalfabrieken groener worden. In het noorden van Zweden verrijst een staalfabriek die draait op duurzame waterstof.